Advies over programmaties in het buitengewoon secundair onderwijs, schooljaar 2016-2017

De Vlor bracht advies uit over 27 dossiers met aanvragen voor:

  • een nieuwe school;
  • een nieuw type binnen een bestaande opleidingsvorm;
  • een nieuwe opleidingsvorm.

De beoordelingscriteria

Bij de beoordeling van de aanvragen baseerde de Vlor zich op de volgende programmeringscriteria (besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014 tot uitvoering van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften wat betreft programmatieaanvragen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de programmatie-, rationalisatie- en behoudsnormen in het buitengewoon basisonderwijs):

Administratieve criteria

  • Als het gaat over de aanvraag voor de oprichting van een nieuw type of een nieuwe opleidingsvorm in een bestaande school, is er onderhandeld met het lokaal onderhandelingscomité en wat is de inhoud van het protocol en is er overleg gepleegd met de schoolraad en wat is het resultaat van het overleg? (art. 9, 8° van het BVR van 23 mei 2014)
  • Als het gaat over de aanvraag van een oprichting van opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs, is er een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met een of meer scholen voor gewoon voltijds secundair onderwijs, met een breed aanbod en in de fysieke nabijheid van de school voor buitengewoon secundair onderwijs en is er onderhandeld met het lokaal onderhandelingscomité van die school of scholen en wat is de inhoud van dat protocol? (art. 9, 7° van het BVR van 23 mei 2014)

Omgevingsanalyse

  • Wordt voor de programmatieaanvraag de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid, met inbegrip van een realistische inschatting van het potentiële aantal leerlingen die, naargelang het te programmeren aanbod, voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 259 van de codex secundair onderwijs van 17 december 2010, afdoende gemotiveerd in een omgevingsanalyse, waarbij in de mate van het mogelijke ook rekening gehouden wordt met het lokale aanbod? (art. 9, 1° van het BVR van 23 mei 2014)
  • Wordt, in relatie tot het reeds bestaande aanbod of programmatieaanvragen van andere scholen voor hetzelfde aanbod buitengewoon onderwijs, een redelijke spreiding beoogd, rekening houdend met de groepen, vermeld in artikel 268, 2°, van de codex secundair onderwijs van 17 december 2010, met de wetenschappelijk te verwachten prevalentie en met het oog op een optimale organisatie van het leerlingenvervoer? (art. 9, 2° van het BVR van 23 mei 2014)
  • Worden de aangepaste en schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor de te programmeren doelgroep in kaart gebracht, en als dat niet het geval is, wordt dat dan afdoende gemotiveerd? (art. 9, 3° van het BVR van 23 mei 2014)

Expertise en professionalisering

  • Beschikt de school over de nodige expertise voor het bijkomend aanbod waarop de programmatieaanvraag betrekking heeft? (art. 9, 4° van het BVR van 23 mei 2014)
  • Zijn er recent inspanningen geleverd om het personeel te professionaliseren voor het nieuwe aanbod of zijn dergelijke inspanningen gepland? (art. 9, 5° van het BVR van 23 mei 2014)

Infrastructuur en materiële voorzieningen

  • Heeft de school de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op het gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen voor het aanbod dat ze wil programmeren? (art. 9, 6° van het BVR van 23 mei 2014)