Advies over de conceptnota over de opvang en vrije tijd van schoolkinderen

Op voorstel van de minister van Welzijn bracht de Vlaamse regering een conceptnota uit met de krachtlijnen voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van schoolkinderen.

Buitenschoolse kinderopvang gebeurt vooral door onderwijs

Het organiseren van voorschoolse opvang, middagtoezicht, of naschoolse opvang behoort niet tot de (decretale) opdracht van scholen. Uit recente cijfers blijkt echter dat de overgrote meerderheid van de scholen in het basisonderwijs door de grote maatschappelijke vraag zelf de voor- en naschoolse opvang voor kleuters en leerlingen organiseert. Daarvoor worden dus onderwijsmiddelen ingezet, wat volgens de Vlor niet de bedoeling kan zijn. Een minderheid van het aanbod aan opvang wordt door een erkende opvangvoorziening of het lokaal bestuur voorzien. De Vlor is dan ook ontgoocheld dat de conceptnota volledig voorbijgaat aan de realiteit van buitenschoolse opvang door onderwijs en de daaraan gekoppelde zorgen en vragen die de onderwijssector al decennialang uit. In de nota komt het woord ‘school’ nergens voor. Het is dus niet helemaal duidelijk waar en of scholen een rol spelen in het bestuurlijke model waarvan de nota de grote lijnen schetst.

Vraag naar intersectoraal overleg en beleid

Een transversaal beleid kan perspectieven bieden om een en ander op elkaar af te stemmen, zowel wat de voor- en de naschoolse opvang, het middagtoezicht als de woensdagnamiddagopvang en de opvang in de schoolvakanties betreft. Gelet op de grote betrokkenheid van scholen bij de buitenschoolse opvang, is het noodzakelijk dat het nieuwe decreet vorm krijgt vanuit een echt transversaal beleid waarin diverse actoren hun verantwoordelijkheid opnemen.

Vraag naar omvattende visieontwikkeling

Het debat dat de conceptnota in gang zet, moet ook gaan over de meer fundamentele vraag naar de verhouding tussen onderwijs, opvang en vrije tijd. De maatschappelijke nood aan opvang roept ook vragen op naar opvoedingsverantwoordelijkheid en naar de verhouding tussen arbeid, gezin en vrije tijd. Die oproep voor nog meer transversale visieontwikkeling ter voorbereiding van een nieuw decreet is evenwel geen pleidooi om vanuit één dominante visie inhoud en vorm vast te leggen van wat lokaal gebeurt.

Uitgangspunten

Bij de organisatie van de opvang en vrije tijd van schoolkinderen moet vertrokken worden vanuit het principe dat:
  • elk kind heeft recht op kwaliteitsvolle opvang waarbij het aanbod is afgestemd op het aanbod binnen onderwijs: kinderen van werkende én van niet-werkende ouders ; en zieke kinderen, chronisch zieke kinderen en kinderen met beperkingen;
  • reflectie en overleg nodig zijn over een mogelijke opvoedingsondersteunende rol van opvanginitiatieven.
  • het aanbod aan opvang afgestemd wordt op de diversiteit aan gezinsvormen.

    Onduidelijkheid en vragen over het bestuurlijk model

    De Vlor onderschrijft de basisprincipes om in te zetten op lokale samenwerking waarin het aanbod wordt afgestemd in een volwaardige complementaire partnerschap. De raad vraagt echter opheldering over enkele centrale begrippen uit de nota: ‘regierol’, ‘coördinatieopdracht’, ‘organiseren’ en ‘private partners’. Daarnaast is er grote onduidelijkheid over de financiering en het bewaken van betaalbaarheid van de opvang in het voorgesteld bestuurlijk model. De Vlor pleit voor een kaderstellende regelgeving die voldoende flexibiliteit en ruimte laat om in te spelen op lokale behoeften. Die lokale vrijheid die diversiteit toelaat, moet echter tegelijk garant staan voor enkele minimumeisen op het vlak van de kwaliteit , veiligheid en toegankelijkheid (fysiek en financieel) van het aanbod.

    Link met andere dossiers

    In onderwijsbeleid zijn er enkele beleidsdossiers in ontwikkeling of uitvoering zijn, waar het intersectoraal beleid rond opvang best tijdig rekening houdt:
  • het M-decreet;
  • de conceptnota leerlingenvervoer;
  • de conceptnota dko;
  • de rol van de internaten;
  • flankerend onderwijsbeleid en sociale voordelen;
  • infrastructuur en capaciteit.

    Conclusie

    De realiteit toont dat scholen op dit moment een belangrijke speler zijn in het aanbieden van opvang voor en na de schooltijd en op de middag. Middelen die voor onderwijs bestemd zijn, zouden niet mogen ingezet worden voor het organiseren van buitenschoolse opvang. De maatschappelijke nood aan buitenschoolse opvang maakt echter structurele oplossingen noodzakelijk. De Vlor vraagt daarom dat de Vlaamse regering gezamenlijk haar verantwoordelijkheid neemt, qua omkadering én werkingskosten (vaste kosten, energie, materialen, …) van de opvang. De raad vraagt ook dat de onderwijspartners verder meegenomen worden als een volwaardige gesprekspartner in het overleg en de beleidsvoorbereiding over buitenschoolse kinderopvang.
  • Download hier het volledige advies (PDF, 281.22KB)