Einddoelen en studiesanctionering in het DBSO; eerste deeladvies over de toekomstige positie DBSO

In dit advies geeft de Vlor zijn visie over welke studiebewijzen het DBSO zou moeten kunnen uitreiken, welke einddoelen daar tegenover staan en hoe die einddoelen het best tegemoet komen aan de eigenheid van het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO).

Het advies geeft eerst inzicht in de opdracht, de doelgroepen, de organisatie en de huidige einddoelen en studiesanctionering van het DBSO. Daarna beschrijft het advies de algemene uitgangspunten voor toekomstige einddoelen en studiebewijzen. De Vlor benadrukt daarin het belang van individuele leertrajecten en van afstemming van de opleidingen op de beroepswereld. De Vlor vindt ook dat jongeren via DBSO-opleidingen moeten kunnen overschakelen naar het voltijds secundair onderwijs of het volwassenenonderwijs.

Het meest essentiƫle voorstel over toekomstige studiebewijzen is de vraag om het DBSO de mogelijkheid te geven om aan jongeren die daarvoor de capaciteiten blijken te hebben, het getuigschrift van de 2de graad secundair onderwijs uit te reiken, als zij een vergelijkbaar niveau halen als jongeren uit het voltijds BSO. De eindtermen BSO gelden hiervoor als referentie. Dat zou deze jongeren meer kansen geven op de arbeidsmarkt en op vervolgopleidingen.

Voor alle jongeren uit DBSO bepleit de Vlor een systeem van einddoelen, maar die einddoelen moeten aangepast zijn aan de mogelijkheden en de reeds verworven competenties van de jongeren. Niet alle einddoelen in het DBSO gelden dus voor alle jongeren.

Dit advies vormt het eerste luik van een ruimer advies over de toekomstige positie van het DBSO. Een tweede luik zal handelen over personeel en structuren.