Advies over de aanvragen tot programmatie in het gewoon secundair onderwijs 2017-2018

De Vlor beraadde zich over 38 programmatieaanvragen voor het voltijds secundair onderwijs voor het schooljaar 2017–2018. Het gaat daarbij om twee reeksen van dossiers. Een eerste reeks zijn (8) aanvragen op basis van studiecontinuïteit; een tweede reeks zijn (30) aanvragen voor programmatie van een nieuw structuuronderdeel op basis van inruil waarbij een bestaand structuuronderdeel gelijktijdig wordt opgeheven.

Criteria

Studiecontinuïteit
De Vlor beoordeelde de aanvragen in het kader van studiecontinuïteit gunstig in volgende gevallen:
  • Een programmatie van een structuuronderdeel op het niveau eerste en tweede leerjaar van de derde graad aso, tso, kso of bso is alleen mogelijk als het onderliggend structuuronderdeel in het tweede leerjaar van de tweede graad het voorafgaand schooljaar voor het eerst werd opgericht;
  • Een programmatie van een structuuronderdeel op het niveau derde leerjaar van de derde graad bso is alleen mogelijk als het onderliggend structuuronderdeel in het tweede leerjaar van de derde graad bso het voorafgaand schooljaar voor het eerst werd opgericht. Of het onderliggend structuuronderdeel al dan niet tot stand gekomen is op basis van inruil, speelt bij die beoordeling geen rol.
    Inruil
    Scholen kunnen een nieuw structuuronderdeel programmeren wanneer zij gelijktijdig een ander structuuronderdeel opheffen in de eigen school of in een andere school van de scholengemeenschap. Dit structuuronderdeel kan geen onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn. De scholen moeten deze aanvraag niet motiveren. De overheid geeft hen hier de mogelijkheid om zelf keuzes te maken. Zij kunnen hun aanbod evalueren en nagaan welk aanbod het best past in hun pedagogische visie. Dit betekent o.m. dat zij niet-rendabele studierichtingen waarin zij veel lesuren investeren voor weinig leerlingen, kunnen afbouwen. De scholengemeenschappen krijgen het vertrouwen om na onderling overleg tussen hun scholen zelf te oordelen hoe zij hun aanbod meer rationeel kunnen uitbouwen. Zo respecteert de overheid de lokale autonomie en vermindert zij de planlast. De Vlor volgt de overheid in dit vertrouwen. Bij de beoordeling van deze aanvragen, ging hij toch na in hoeverre ze passen in het bredere aanbod in de regio. Ook elementen zoals de vrije keuze en de regionale spreiding werden in overweging genomen. Het is zeker een meerwaarde als de aanvraag past in het profiel van de school en/of in haar specifieke pedagogische visie.

    Algemene opmerkingen

    De mogelijkheid om structuuronderdelen waarvoor geen belangstelling meer is, in te ruilen voor meer toekomstgerichte structuuronderdelen, geeft scholen inderdaad beleidsruimte. Die kunnen zij gebruiken om zich voor te bereiden op de modernisering van het secundair onderwijs. Uit de aanvragen bleek evenwel dat scholen niet altijd goed weten hoe zij zich daarop moeten voorbereiden. In sommige scholen leidt die inruilmogelijkheid tot de oprichting van structuuronderdelen die eigenlijk niet echt passen in hun aanbod. Scholen vragen soms structuuronderdelen aan omdat ze denken dat ze elk structuuronderdeel dat dreigt te verdwijnen, moeten inruilen voor een nieuw structuuronderdeel. Deze programmatieronde is de tweede op basis van de nieuwe regelgeving. Bij de programmatieaanvragen voor het schooljaar 2016-2017 heeft de Vlor voor de eerste keer de aanvragen voor programmaties op basis van inruil beoordeeld. De overheid heeft toen uiteindelijke alle aanvragen goedgekeurd, ook die aanvragen met een ongunstig advies van de Vlor. Deze procedure, waarbij enerzijds de Vlor moet oordelen over de opportuniteit van het initiatief zonder dat de scholen hun aanvraag moeten motiveren en anderzijds de overheid alle aanvragen goedkeurt, draagt niet bij tot een meer rationeel aanbod. Daarbij rijst de vraag of in dit geval een gewone meldingsprocedure in plaats van een omstandige aanvraagprocedure niet bijdraagt tot nog méér planlastvermindering. De regelgeving zegt niets over de samenhang tussen de aanvragen op basis van inruil en de aanvragen op basis van studiecontinuïteit. Moeten scholen een structuuronderdeel in de derde graad, aansluitend op een structuuronderdeel dat in de tweede graad twee jaar eerder via inruil tot stand kwam, ook via inruil realiseren? Of kunnen ze in dit geval programmeren op basis van studiecontinuïteit? De regelgeving zegt vandaag ook niets over de samenhang tussen vrij te programmeren structuuronderdelen en inruil. Het voorontwerp van decreet betreffende het onderwijs XXVII, dat de regering al principieel goedkeurde en waarover de Vlor op 26 januari e.k. een advies zal geven, bevat wel een voorstel om inruilen met een vrij programmeerbaar structuuronderdeel onmogelijk te maken. Deze regel zou ingaan op 1 september 2017 en dus ook al van toepassing zijn op de aanvragen die nu voorliggen. Het kan toch niet de bedoeling zijn schoolbesturen die te goeder trouw een inruil aanvragen, tijdens de goedkeuringsprocedure, te confronteren met een eventuele, nog goed te keuren, wijziging van de regelgeving die hun plannen doorkruist. In dit advies roept de Vlor dan ook op om de ingangsdatum van dit artikel uit te stellen tot 1 september 2018.

    Verder verloop

    De Vlaamse Regering zal een beslissing nemen op basis van het advies van de Vlor, AgODi en de Onderwijsinspectie.