Advies over beroepsprofiel en basiscompetenties van de leraren

In vergelijking met eerdere versies van de beroepsprofielen, bevat het besluit van de Vlaamse Regering over het beroepsprofiel en de basiscompetenties van de leraren slechts één gemeenschappelijk beroepsprofiel. Voor het secundair onderwijs is er ook maar één set basiscompetenties. Een aantal beleidsprioriteiten zijn toegevoegd: het gebruik van Standaardnederlands, communiceren met anderstaligen, omgaan met diversiteit of kennis van de grootstedelijke context. De raad vindt dat goed maar had nog andere onderwijsgerelateerde maatschappelijke problemen als beleidsprioriteit willen zien. Zo is het tekort aan technisch-technologisch geschoold personeel een belangrijk sociaal-economisch probleem dat ons onderwijssysteem voor grote uitdagingen plaatst. Ondernemingszin in de brede betekenis van het woord (de bekwaamheid om ideeën om te zetten in handelen) moet ook versterkt worden. Er ontbreekt een beroepsprofiel voor lesgevers in het hoger onderwijs, het volwassenenonderwijs en het deeltijds kunstonderwijs.

De Vlor erkent dat het beroepsprofiel van de leraren nuttig is om de verwachtingen vanwege de samenleving in kaart te brengen. Tegelijk is het een instrument om grenzen te stellen aan te hoge verwachtingen. Maar basiscompetenties mogen de aandacht niet afleiden van dieperliggende aspecten van de maatschappelijke rol van de leraar (bijv persoonlijkheid leerlinggerichtheid en engagement). Professioneel leraarschap heeft een technische dimensie (de kennis en vaardigheden waarover een leraar moet beschikken) maar de morele, politieke en emotionele dimensies horen onvervreemdbaar bij een adequaat concept van leraarschap. In een visie op professionele ontwikkeling van het leraarschap dienen de vier dimensies dan ook hun plaats te krijgen.

De Vlor vindt het beroepsprofiel erg algemeen geformuleerd. De abstracte bewoordingen maken het ongeschikt als instrument om laatstejaars uit het secundair te laten kiezen voor een lerarenberoep of om er het functioneren van individuele leraren mee te bespreken en te evalueren. De ideaaltypische beschrijving, op basis van wat de maatschappij van de leraar verwacht, houdt het risico in dat men voorbijgaat aan de grenzen van wat in de school- en klaspraktijk haalbaar is. De raad pleit ervoor om na de goedkeuring van het beroepsprofiel een gerichte en concrete communicatie op te zetten naar mogelijke ‘gebruikers' van het beroepsprofiel.

Om functioneel te zijn veronderstelt het beroepsprofiel een continu professionaliseringsbeleid voor de hele school. De Vlor vraagt daarom opnieuw aan de overheid om de voorwaarden te scheppen waardoor een breed spectrum aan voorzieningen kan ontstaan voor levenslang leren voor leraren, naast de initiële opleidingen. De Vlor vraagt nog een sterkere klemtoon op de realisatie van het beroepsprofiel vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid.

De basiscompetenties zijn eveneens een ideaalbeeld van het functioneren van beginnende leraren. Als geheel zijn de basiscompetenties onhaalbaar. Toch is het niet wenselijk om bepaalde functionele gehelen weg te laten. De Vlor vindt daarom dat de basiscompetenties beoordeeld moeten worden vanuit de functie die ze moeten vervullen: een referentiekader voor curriculumontwikkeling in de lerarenopleidingen.

Het besluit bevat nog slechts één set basiscompetenties voor de leraar secundair onderwijs. De Vlor kan daar mee instemmen op voorwaarde dat men bij het concretiseren van die basiscompetenties erkent dat de vakinhoudelijke en vakdidactische expertise van leraren erg kan verschillen naargelang de leerlingengroepen en onderwijssettings waarvoor de leraar wordt opgeleid.

Wat zorg en leerlingenbegeleiding betreft, vindt de raad dat het beroepsprofiel zeker moet aangeven dat ervaren leraren adequaat kunnen inspelen op de leer- en ontwikkelingsnoden van kinderen met specifieke noden. Hij doet concrete voorstellen om dat in het profiel te versterken.

De minister vraagt aandacht voor het gebruik van Standaardnederlands in het beroepsprofiel en de basiscompetenties. De Vlor vindt dat terecht. De raad wijst erop dat communicatie met ouders en leerlingen meer is dan strategieën hanteren en vraagt meer nadruk op het relationele aspect. Voor de communicatie met leerlingen is het belangrijk dat de leraar zijn rol als voorbeeldfiguur op het vlak van taalgebruik en taalbeheersing opneemt.

De raad vindt de vakinhoudelijke deskundigheid van alle leraren belangrijk. Hij wees daar al op in zijn advies van 2004. Maar deze kennis kan niet specifiek uitgewerkt worden in de basiscompetenties en het beroepsprofiel want die staan los van de vakken die een leraar onderwijst. De zorg om leerinhouden te verbinden met en te laten toepassen in de eigen leefwereld is terecht. Maar het zou verkeerd zijn om de levensechtheid van de leerinhouden te stellen tegenover “zuivere kennis”. Precies om de onderwijsleerprocessen levendig en uitdagend over te brengen, moet een leraar beschikken over een stevige inhoudelijke kennis. De Vlor pleit er ook voor om begeleide zelfstudie systematischer aan de orde stellen voor leerlingen in het secundair onderwijs.

Voor de leraar lager onderwijs legt de overheid voor het leergebied Frans een beheersingsniveau vast vanuit het Europees Referentiekader voor de Talen. De raad erkent dat sterke vreemdetalencompetenties belangrijk zijn voor onderwijzers maar vraagt zich toch af of een B2-niveau haalbaar is voor alle kandidaat-onderwijzers. De raad vindt niet dat de overheid voor één specifiek leergebied een beheersingsniveau moet vastleggen.

Nu de eindtermen Frans voor het hele Vlaamse onderwijs gelden en niet langer alleen in Brussel en de taalgrensgemeenten, is dringend opheldering gewenst over het extra getuigschrift. De raad steunt de minister om niet te kiezen voor regenten Frans in het basisonderwijs. De kennis van het Frans van de onderwijzers verdiepen, zonder dat te koppelen aan een bijkomend bekwaamheidsbewijs, vindt de raad een goede keuze.

De raad vraagt om de eerder opgenomen vaardigheid ‘adequaat omgaan met meerderjarige leerlingen’ opnieuw op te nemen. Er volgen immers heel wat meerderjarige leerlingen les in de laatste jaren van het secundair onderwijs. Hoe men met deze leerlingen omgaat, kan de ongekwalificeerde uitstroom positief of negatief beïnvloeden.

website door wieni met Drupal