Vlor wil meer studenten in armoede in hoger onderwijs

In dit Europees jaar van de armoede bekeek de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) de link tussen armoede en hoger onderwijs. Mensen in armoede vinden nog onvoldoende de weg naar het hoger onderwijs. Een recente studie van het HIVA geeft nochtans aan dat een diploma hoger onderwijs duidelijk leidt tot een hoger inkomen en een lager werkloosheidsrisico. Hoger onderwijs is dus een goede opstap om uit armoede te geraken. De Vlor doet dan ook enkele suggesties om de participatie van mensen in armoede te verhogen en te verbeteren. De raad stelt ook vast dat de armoedeproblematiek in het hoger onderwijs te weinig gekend is en wil met deze visietekst de problematiek onder de aandacht brengen.

Instroom

Mensen in generatiearmoede zien nog te weinig het belang in van het hoger onderwijs. Een diploma secundair onderwijs is in de ogen van hun ouders dikwijls al een grote overwinning en vooruitgang. De mentale en financiële druk om naar de arbeidsmarkt over te stappen, is daarom vaak groot.

Wat kan jongeren stimuleren om toch verder te studeren? Minder financiële drempels, studentenvoorzieningen, een goede informatieverstrekking, een goede kennis van het Nederlands, flexibilisering, ... zijn stimuli en voorwaarden die zowel de overheid als de onderwijsverstrekkers moet ontwikkelen. Opvallend is dat de Vlor de hogeronderwijsinstellingen ook in eigen boezem doet kijken: hoger onderwijs is nog teveel een zaak van de middenklasse wat maakt dat zowel lesgevers als studenten te weinig voeling hebben met de armoedeproblematiek. De Vlor raadt de instellingen dan ook aan om, naast onderwijs en onderzoek, meer de blik te richten op de omgeving om zo de noden van de doelgroep van mensen in armoede beter te leren kennen. Op die manier zal ook in de instellingen langzamerhand een mentaliteitswijziging optreden.

Ook de lerarenopleiding speelt hier een cruciale rol. Leerkrachten in spe moeten effectief kennismaken met de armoedeproblematiek en ernaar leren handelen. Op die manier kunnen zij als leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs leerlingen aanzetten om voor het hoger onderwijs te kiezen. Bovendien zal een meer diverse instroom in de lerarenopleiding leiden tot een meer diverse leerkrachtenpopulatie. Deze leerkrachten kunnen fungeren als rolmodellen en zo ook leerlingen aanzetten om door te stromen naar het hoger onderwijs.

Doorstroom

Uiteraard mogen de inspanningen zich niet beperken tot het aantrekken van meer studenten in armoede. Zij moeten ook succesvol kunnen doorstromen in het hoger onderwijs. De Vlor vindt dat hiervoor, naast een goede begeleiding, ook aandacht moet zijn voor de sociale integratie van deze studenten. Hun thuissituatie (conflictsituaties, geen geschikte studeerruimte, zorg voor jongere broers of zussen, …) belet hen dikwijls om te studeren. Op kot gaan, kan voor sommigen een oplossing zijn, maar dit is uiteraard duurder en door hun moeilijke thuissituatie kunnen deze studenten vaak moeilijk omgaan met de hieraan gekoppelde nieuw gewonnen vrijheid. Projecten waarbij studenten aangezet worden om samen te studeren, kunnen een oplossing bieden.

Erg belangrijk is ook dat studenten bij aanvang van het academiejaar een goed zicht hebben op alle extra kosten die zich zullen aandienen (studiereizen, cursussen, prints, …). Het is goed dat de student rechtstreeks de studietoelage betaald krijgt, maar hij moet hier wel leren mee omgaan, bijvoorbeeld met behulp van vrijwillig en discreet budgetbeheer door de studentenvoorzieningen.

Ook vrienden en het sociale netwerk zijn belangrijk in het studiesucces. Jongeren in armoede hebben dikwijs een sociale netwerk dat hen weinig stimuleert om te studeren omdat dit het hoger onderwijs onvoldoende kent: vrienden met een andere vrijetijdsbesteding, die al aan het werk zijn en over een ander (groter) budget beschikken, het maakt de verleiding om af te haken dikwijls groot ... Het is daarom belangrijk dat jongeren met een armoedeachtergrond hun sociaal netwerk diversifiëren. Zo kunnen mentoren hen wegwijs maken in de academische vereisten en geplogenheden, en hen tegelijk helpen een nieuw sociaal netwerk uit te bouwen. Ook medestudenten kunnen hiervoor via buddysystemen ingeschakeld worden.

Studenten in armoede moeten ook net zoals andere studenten de kans krijgen om een (deel van een) opleiding of een studieverblijf in het buitenland te volgen of er een stage te lopen. Om financiële redenen participeren zij minder aan de internationale mobiliteit. Maar het is ook zo dat zij niet altijd de kansen grijpen die zich aandienen. Nieuwe ervaringen houden voor hen teveel risico’s in. Ze hebben meestal een onvoldoende groot netwerk, minder zelfvertrouwen en geen rolmodellen om op terug te vallen. Naar het buitenland vertrekken, impliceert het achterlaten van een aantal zekerheden.

Uitstroom

Tenslotte vraagt de Vlor ook aandacht voor de overstap van deze studenten, eens afgestudeerd, naar de arbeidsmarkt. Ook hier speelt hun andere achtergrond en tekort aan netwerken hen te dikwijls parten. Een trajectbegeleiding, verspreid over meerdere jaren, moet deze uitstroom verbeteren.

website door wieni met Drupal